Zoekresultaten

Zoekopdracht: faculteit: "FdR" en publicatiejaar: "2014"

AuteurS.J. Agailey
TitelEen onderzoek naar het hoorrecht van de minderjarige in het civiele proces in het licht van Europese Verdrag van de Rechten van de Mens en het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie
BegeleiderP.J. Montanus
Jaar2014
Pagina's52
FaculteitFaculteit der Rechtsgeleerdheid
OpleidingFdR MA Privaatrecht: Privaatrechtelijke rechtspraktijk
TrefwoordenIVRK; EVRM; hoorrecht
SamenvattingHet kind wordt onvoldoende gehoord in de civiele rechtszaak. Deze stelling kwam naar voren tijdens het congres ‘Wat ik ervan vind, de stem van het kind’, dat op 31 mei 2013 plaatsvond op de Erasmus Universiteit te Rotterdam. Tijdens dit congres kwamen ruim 400 professionals bij elkaar om de rol van het kind in de civiele procedure te bespreken.

Kinderrechten zijn niet meer weg te denken uit ons rechtssysteem. Sinds de inwerkingtreding van het Internationaal Verdrag Inzake de Rechten van het Kind (hierna: IVRK) op 2 september 1990 en de grote invloed van het Verdrag is het besef toegenomen dat specifieke rechtsbescherming voor minderjarigen vereist is om deze kwetsbare groep te kunnen beschermen. De invloed van het IVRK is ook doorgedrongen op Europees niveau, hetgeen onder andere blijkt uit de bekendmaking van de ‘EU-agenda voor de rechten van het kind’ op 15 februari 2011, waarin is bepaald dat de normen en beginselen van het IVRK leidend zullen zijn bij de verwezenlijking van kinderrechten.

Hoewel het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), in tegenstelling tot het IVRK, niet expliciet een hoorrecht van de minderjarige vermeldt, heeft het dynamische karakter van het EVRM bijgedragen aan de verwezenlijking van de participatierechten van de minderjarigen. Bovendien is het recht van de minderjarige om gehoord te worden, verankerd in artikel 24 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Gelet op de rechtstreekse werking van het recht van de Europese Unie kan deze bepaling van groot belang zijn voor het hoorrecht van de minderjarige in het nationale recht. Anders dan bij de invulling van het hoorrecht, waarin het EVRM lidstaten een ruime ‘margin of appreciation’ toekent, heeft een uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie rechtstreekse werking waarmee ze het nationale recht opzij kan zetten.

Het recht van de Europese Unie kan met name van belang zijn voor de verwezenlijking van het hoorrecht van de minderjarige in het Nederlandse recht. In artikel 809 Rv staat namelijk vermeld dat de minderjarige van twaalf jaar of ouder door de rechter kan worden gehoord. Deze bepaling is tegenstrijdig aan artikel 12 IVRK waarin het recht van de minderjarige om gehoord te worden is vastgelegd. Aangezien het Nederlandse recht, in tegenstelling tot artikel 12 IVRK, een leeftijdsgrens hanteert, handelt de Nederlandse wetgever in strijd met het IVRK.
Mijn onderzoek zal zich richten op de vraag in hoeverre het EVRM en het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, gelet op de invloed van het IVRK, een bijdrage kunnen leveren aan de verwezenlijking van het hoorrecht van de minderjarige in het Nederlandse recht. Om tot de beantwoording van mijn onderzoeksvraag te komen zal ik het onderzoek in drie hoofdstukken opsplitsen. Het eerste hoofdstuk zal zich richten op de rechtspositie van de minderjarige in het EVRM. In het tweede hoofdstuk zal aan de hand van artikel 12 IVRK en van jurisprudentie van het EVRM het hoorrecht van de minderjarige in het EVRM worden onderzocht. Tevens zal worden besproken de wijze waarop het hoorrecht van de minderjarige in het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie gestalte krijgt. Het derde hoofdstuk zal zich richten op het hoorrecht van de minderjarige zoals dat in het Nederlandse recht wordt ingevuld. Tot slot bevat het vierde hoofdstuk een synthese waarin de informatie van de voorgaande hoofdstukken zal worden geanalyseerd.
Soort document scriptie master
Download